‘Ik heet Jacoba, uit grafelijk bloed geteeld
Regeerd ik landen, door mijn partijschap fel verdeeld
Ik stond geheel alleen, en mijns ooms wrede hand
Mij wenend voortjoeg door mijn arm Vaderland
Vier echtgenoten had ik, waarvan twee ontrouw
Een stierf er vroeg en liet mij na in rouw
Tot redding van den laatsten voldeed ik aan Philips eis
En gaf hen mijnen rang en waardigheden prijs
Ik offerde alles op, totdat, thans eindelijk vrij
In Teylingen ik rust al aan mijns vaders zij’ [1]
~ Anoniem ~
Het verhaal van Jacoba van Beieren is zoals gezegd alles behalve saai. Om een duidelijk beeld van haar leven te krijgen moeten we beginnen bij haar vader, Willem van Oostervant, vanaf 1404 Willem VI, graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen, heer van Friesland. Zelf zoon van Albrecht van Beieren, die al op jonge leeftijd de regering over de graafschappen op zich nam onder de naam Willem V. Ten tijde van de regering van Willem V ontstond de strijd tussen de zogenaamde Kabeljauwen en Hoeken die anderhalve eeuw zou gaan duren. Kabeljauwen en Hoeken waren de benamingen voor twee adelspartijen die lange tijd om de gunsten van het grafelijk hof zouden twisten, mede als gevolg van een economische recessie en een vergroting van nationaal gevoel onder de niet-edele burgers.[2] Aan de ene zijde stond Willem V gesteund door de kabeljauwen, welke term is afgeleid van de blauw-witte ruiten van het Beierse wapenschild die op grote schubben leken. Onder de Kabeljauwen bevonden zich onder anderen de heren van Egmond, van Arkel en van Heemskerk. Aan de andere zijde stond de moeder van Willem V, Margaretha, die werd gesteund door de zogenoemde Hoeken, waaronder Willem van Duvenvoorde, de heren van Polanen, van Brederode, van Wassenaar en van Cats.[3] Deze hardnekkige strijd tussen de edelen in Holland en Zeeland zou uiteindelijk voor Jacoba slecht uitpakken.

Willem VI.
Uit: Jansen, H.P.H., Jacoba van Beieren (Den Haag 1976) 14.
Ten tijde van Willem VI was er sprake van een goede band met het Franse koningshuis. De Franse koning, Karel VI, was weliswaar krankzinnig, maar Willem VI onderhield nauwe contacten met de Bourgondische hertog Jan zonder Vrees, die van koninklijke bloede was. Jan zonder Vrees was een zwager van Willem VI en in hetzelfde jaar dat Willem VI graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen werd, werd Jan zonder Vrees hertog van Vlaanderen en Bourgondië.[4] Beide bondgenoten konden toen echter nog niet voorzien dat de zoon van de een de dochter van de ander in de nabije toekomst ten val zou brengen.
Zestien jaar waren Willem van Oostervant en Margaretha van Bourgondië reeds getrouwd toen zij hun eerste en enige kind kregen: Jacoba van Beieren. De precieze geboortedag van Jacoba staat niet vast, maar zij werd gedoopt op 16 juli 1401 en moet dus kort daarvoor geboren zijn.[5] In 1406 werd Jacoba reeds verloofd met Jan van Touraine, de tweede troonopvolger van Frankrijk. Jan en Jacoba werden samen opgevoed in Henegouwen. In 1415 hadden beide kinderen de huwbare leeftijd bereikt, Jan was inmiddels zestien en Jacoba was net veertien geworden. Op 6 augustus werd hun huwelijk in de kerk bevestigd. Kort daarna, in december 1415 overleed de oudere broer van Jan van Touraine en werd hijzelf ineens de officiële kroonprins van Frankrijk. Nu zagen Willem VI en Jan zonder Vrees hun kans om hun invloed in het Franse koninkrijk te vergroten. De koning leek almaar krankzinniger te worden en het leek nu in ieders voordeel om Jan van Touraine tot regent van Frankrijk te installeren. Met dit idee vertrokken Jan en Jacoba naar Compičgne terwijl Willem VI Jan’s zaken in Parijs waarnam. Jan en Jacoba waren beiden volledig bereid om de Bourgondische belangen in Frankrijk te behartigen en een sterke verbondenheid met Frankrijk bood tevens de beste waarborg voor een ongestoorde opvolging van Jacoba in haar erflanden.[6]
Het had zo mooi kunnen zijn. Ware het niet dat Jan van Touraine op 4 april 1417 overleed, vermoedelijk als gevolg van opzettelijke vergiftiging door zijn eigen moeder, de koningin van Frankrijk: ‘Booze zweren bedekten hals en lichaam, de oogen puilden hem uit het hoofd, de tong en het verhemelte waren gezwollen. Binnen acht dagen was hij een lijk. Kwaadaardige gezwellen aan zijn hals waren naar binnen opengebroken en hadden hem doen stikken. Maar het volk riep luid dat hij vergiftigd was. Zijne moeder had hem een prachtig harnas ten geschenke gegeven: nauwelijks had het staal zijn hals aangeraakt, of de ziekte was uitgebroken’.[7] Reden voor deze moord kan worden gezocht in de Franse twisten tussen de Bourguignons[8] en Armagnacs. In de ogen van zijn moeder stond Jan van Touraine aan de verkeerde kant van het conflict, de kant van de Bourguignons. Zij zag veel liever haar jongste zoon, die aan de zijde van de Armagnacs stond, als troonopvolger. Ongeveer een maand na de dood van Jan van Touraine overleed ook Willem VI. Hij stierf aan de gevolgen van een hondenbeet. Jacoba volgde hem nu op als gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen en vrouwe van Friesland.
Zonder een stevige verbintenis met de Franse kroon was de positie van Jacoba een stuk instabieler geworden. In het verleden waren er wel vaker moeilijkheden geweest met de opvolging door een vrouw. Ook al hadden de Staten-vergaderingen van Holland, Zeeland en Henegouwen beloofd dat zij na de dood van Willem VI Jacoba als landsvrouwe zouden erkennen, hield dit niet automatisch in dat dit ook zou gebeuren.[9] Alhoewel op het eerste oog alles schijnbaar volgens plan leek te verlopen, bleek er inderdaad een kink in de kabel te zitten in de persoon van Jan van Beieren, broer van Willem VI en oom van Jacoba.
Aanvankelijk had Willem VI na de dood van Jan van Touraine de wens uitgesproken dat Jacoba met de Kabeljauwse jonkheer Willem van Arkel zou trouwen om zo een einde te maken aan de Hollandse partijtwisten. Willem VI stond immers, in tegenstelling tot zijn vader, aan de kant van de Hoeken. Op het laatste moment veranderde Willem VI echter van gedachten en sprak hij op zijn sterfbed zijn voorkeur uit voor een neef van Jacoba, Jan IV, hertog van Brabant. Door middel van dit huwelijk zou Jacoba’s invloedssfeer uitgebreid kunnen worden met Limburg en Brabant. Dit zou haar positie ten opzichte van Jan zonder Vrees, bondgenoot maar tevens concurrent, versterken. En zo geschiedde. Reeds op 31 juli 1417, nog geen vier maanden na de dood van haar eerste man, vond te Biervliet de verloving tussen Jacoba en Jan IV plaats. Hiervoor was wel de toestemming van Jan van Beieren en Jan zonder Vrees nodig geweest aangezien deze sinds de dood van Willem VI als voogd van Jacoba optraden. In de lente van het volgend jaar werd het huwelijk voltrokken. Er zat echter wel een addertje onder het gras. Jan IV was namelijk een volle neef van Jacoba en om te mogen trouwen was pauselijke dispensatie nodig. Deze werd verkregen, maar twee weken later ook weer ingetrokken op verzoek van de Duitse keizer Sigismund, die vermoedelijk hiertoe was aangespoord door Jan van Beieren. Jacoba en Jan deden alsof zij niets van de intrekking van de pauselijke dispensatie wisten en lieten het huwelijk gewoon doorgaan. Later zou Jacoba hier nog spijt van krijgen. Jan IV zou een onbetrouwbare, laffe en verraderlijke bondgenoot blijken te zijn, ‘klein van verstand, zwak van lichaam, … een speelbal in de handen van onwaardige gunstelingen, die er voordeel bij hadden hem klein en nietig te houden’.[10]
Jan van Beieren was niet verheugd toen hij vernam dat het huwelijk tussen Jacoba en Jan IV alsnog was voltrokken. Immers zijn voogdijschap zou daarbij overgaan op Jan IV en Jan van Beieren zou in dat geval buiten spel worden gezet. Er ontstond nu een openlijke strijd tussen Jacoba en haar oom. Er waren al aanwijzingen geweest dat Jan van Beieren het erfrecht van Jacoba zou gaan betwisten. Zo was hij tot bisschop van Luik benoemd, maar had hij zich niet laten inwijden. Mogelijk wilde hij eerst nagaan of hij niet de macht in de graafschappen van zijn overleden broer op zich zou kunnen nemen. Als geestelijke zou dit niet mogelijk zijn. Nu gaf hij echter te kennen dat hij tenminste het ruwaardschap en de voogdij over Holland, Zeeland en Friesland wilde verkrijgen, zonodig door de strijd aan te gaan met Jacoba. Inmiddels waren ook de Hollandse partijtwisten weer opgelaaid en zag Jan van Beieren zijn kans schoon door zich aan te sluiten bij Willem van Arkel, aanvoerder van de Kabeljauwen. Ook keizer Sigismund stond aan de kant van Jan van Beieren. Hij was bang voor de groeiende Bourgondische invloed en hoopte via deze coalitie zijn eigen positie te verstevigen. Een bloedige binnenlandse oorlog volgde, die begon met de huldiging van Jan van Beieren als ruwaard van Dordrecht op 10 november 1417. Vervolgens lukte het Jan van Beieren de steden Den Briel en Rotterdam voor zich te winnen. Een felle strijd was het gevolg, waarbij zaken als plundering, omkoperij en afslachting van tegenstanders tot de orde van de dag behoorden. Vele edelen lieten gedurende deze strijd het leven, waaronder de Kabeljauwse aanvoerder Willem van Arkel. Hij sneuvelde tijdens Jacoba’s verovering van Gorkum op 1 december.
In februari 1419 ontmoette Jacoba Jan van Beieren te Woudrichem en zij sloot aldaar een vredesverdrag met haar oom. Op diezelfde dag werd Jan van Beieren voor een periode van drie jaar tot stadhouder van Holland en Zeeland benoemd. De meeste Hollandse steden bleven Jacoba trouw, maar Jan van Beieren veroverde later dat jaar wel de steden Leiden en Geertruidenberg en hij wilde ook Brabant veroveren, het hertogdom van Jan IV, echtgenoot van Jacoba. Inmiddels probeerde Jacoba haar huwelijk met Jan IV, hertog van Brabant, te ontbinden en zij wendde zich hiertoe tot de paus in Rome.[11]
Al vrij snel na hun huwelijk bleek dat de persoonlijke relatie tussen Jacoba en Jan niet goed verliep. Jan was te dom, een losbol en bovendien erg verwend. Toen twee halfbroers van Jacoba een medestander van Jan IV hadden vermoord gaf dit voor Jan aanleiding tot vele pesterijen jegens Jacoba. Zo stuurde hij onder andere al Jacoba’s hofdames weg. Een breuk werd nu haast onvermijdelijk en Jacoba zocht vervolgens steun bij haar moeder. Deze bleek zich echter meer naar de wensen van de Bourgondische hertog te schikken dan naar die van Jacoba. Jacoba besloot daarop naar Engeland te vertrekken om steun te zoeken aan het Engelse hof.[12] Die steun kreeg ze ook. Toen Jacoba in 1422 het pauselijk verlof tot echtscheiding ontving, trouwde zij kort daarop met Humphrey van Glouchester, de broer van de Engelse koning Hendrik V.[13]
Op dit punt keerde het tij voorgoed voor Jacoba. In 1423 vertrok ze met haar kersverse echtgenoot richting Henegouwen. Toen zij in Bergen aankwamen, begon het Jan IV iets te heet onder de voeten te worden. Hij sloot zich nu uit angst aan bij Jan van Beieren en Philips van Bourgondië. Philips had in 1419 zijn vader Jan zonder Vrees opgevolgd, nadat deze was vermoord door de Armagnacs. Jan van Beieren wilde nog altijd de volledige macht over de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen bemachtigen en hij sprak met Philips af dat deze de wettige erfgenaam van zijn graafschappen zal worden na zijn dood. Jan van Brabant werd inmiddels erkend en gehuldigd als wettige echtgenoot en voogd van Jacoba door alle Hollandse en Zeeuwse steden (Zierikzee uitgezonderd). Tijdens de afwezigheid van Jan zag Humphrey van Glouchester zijn kans schoon om Brabant te verwoesten. Jacoba stuurde ondertussen Floris van Kijfhoek met enkele gewapenden naar Holland om aldaar haar belangen te behartigen. Floris van Kijfhoek maakte zich meester van de stad Schoonhoven en het slot waar Albrecht van Beiling mede het bevel voerde. Van Beiling werd gevangen genomen en vermoedelijk in opdracht van Jacoba levend begraven.
Humphrey besloot Philips van Bourgondië nu uit te dagen tot een ‘eervol’ duel. Philips accepteerde de uitdaging, maar op de vooravond van het gevecht vluchtte Humphrey terug naar Engeland. Hierbij liet hij Jacoba aan haar lot over in de stad Bergen. Deze stad werd vervolgens door Philips belegerd en veroverd. Jacoba werd gevangen genomen en naar Gent gebracht. Henegouwen onderwierp zich hierop aan Jan van Brabant. [14]
Humphrey, inmiddels teruggekeerd aan het Engelse hof liet weten af te zien van het duel met Philips en drong aan op de vrijlating van Jacoba. Philips was geenszins van plan Jacoba te laten gaan, sterker nog hij wilde haar liever laten sterven. Deze plannen kwamen Jacoba ter ore en zij smeedde een eigen plan om te kunnen ontsnappen. Dit lukte. Zich voordoend als reizende kooplieden wisten enkele handlangers van Jacoba haar mannenkleren toe te stoppen.[15] In deze kleren kon Jacoba zonder de aandacht op zich te vestigen gewoon de poort uitlopen.
Jan van Beieren was inmiddels overleden en had volgens afspraak zijn rechten op de drie graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen overgedragen aan Philips van Bourgondië. Tijdens Jacoba’s gevangenschap hadden verschillende Hollandse steden Philips reeds als ruwaard en voogd aangenomen. Na haar ontsnapping vertrok Jacoba onder geleide van haar goede vriend Jan van Vianen naar Schoonhoven, Gouda en Oudewater en werd daar wederom erkend als gravin. Utrecht en het Nedersticht sloten nu een verbond van vrede en vriendschap met Jacoba. Veel steden die eerder Philips hadden erkend als ruwaard en voogd schaarden zich nu weer aan de zijde van Jacoba. Er waren echter ook steden die Philips bleven steunen.[16] Jacoba en de Hoeken beheersten nu de driehoek Gouda, Schoonhoven en Oudewater, terwijl Philips en de Kabeljauwen de rest van de graafschappen Holland en Zeeland onder hun gezag hadden.[17] Deze gebeurtenissen zouden het begin vormen voor een strijd van drie jaar tussen Jacoba en Philips: de oorlog van 1425-1428. In deze periode werd Jacoba in de steek gelaten door Humphrey van Glouchester en werd hun huwelijk onwettig verklaard omdat de pauselijke toestemming voor de scheiding van Jan van Brabant nu toch weer werd ingetrokken. Niet lang daarna overleed Jan IV. Na een aantal jaren van zware strijd werd Jacoba op 29 juni 1428 genoodzaakt om zich op zeer onvoordelige voorwaarden te verzoenen met Philips van Bourgondië: de zoen van Delft. Aan Jacoba werd nu nog slechts de titel van gravin verleend en zij mocht met niemand meer trouwen zonder de uitdrukkelijke toestemming van Philips. Philips werd gehuldigd als ruwaard en erfgenaam van de graafschappen. [18]
Jacoba vertrok nu naar het binnenhof in Den Haag, maar ze verbleef ook vaak in Goes waar ze in alle rust kon wonen. Philips had de Kabeljauwse edelman en stadhouder Frank van Borssele de opdracht gegeven om op Jacoba te letten. En dat deed hij ook. Toen Jacoba in geldnood zat, was Frank van Borssele de enige die bereid was om haar te helpen. Er ontstond een intieme vriendschap en in de zomer van 1432 trouwden Jacoba en Frank in het geheim, zonder toestemming te vragen aan Philips. Ook dit huwelijk zou voor Jacoba de nodige problemen met zich meebrengen aangezien zij hiermee de zoen van Delft had geschonden. Toen Philips van het huwelijk hoorde nam hij terstond Frank van Borssele gevangen. Hij wilde hem alleen vrijlaten onder de voorwaarde dat Jacoba volledig afstand zou doen van haar grafelijke rechten. En dat deed ze. Samen met haar vierde echtgenoot bracht Jacoba nog enkele gelukkige jaren door op het slot Teylingen in de buurt van Sassenheim. Maar reeds in oktober 1436 stierf Jacoba, nog altijd kinderloos, aan de gevolgen van een teringachtige ziekte. Jacoba’s lichaam werd naar Den Haag gebracht en bijgezet in het graf van haar vader in de hofkapel. Frank van Borssele leefde nog tot 1470.[19]
Het verhaal van Jacoba en de strijd om haar graafschappen is vele malen gecompliceerder dan hier is geschetst, maar om alle details even uitgebreid te belichten zou in dit verband te ver voeren. In het kader van deze scriptie en met het oog op de gekozen vraagstelling kan de inhoud van het verhaal zoals hierboven is beschreven volstaan. Al met al geeft bovenstaande aan dat het verhaal van Jacoba van Beieren een ingewikkelde maar vooral ook zeer spannende geschiedenis vormt, vol van intriges, machtsstrijd, moord, verraad en liefde. Maar het verhaal roept ook vele vragen op. Onder meer de vraag waarom Jacoba als gravin niet erg succesvol is geweest. En waarom heeft het zover moeten komen dat Jacoba haar graafschappen heeft moeten overdragen aan haar vijand Philips van Bourgondië? Een van de verklaringen voor Jacoba’s falen zou kunnen liggen in het vrouwbeeld dat in Jacoba’s tijd overheersend was. Wat dit vrouwbeeld inhield en op welke wijze dit het leven en de carričre van Jacoba heeft beďnvloed zullen we in het volgende hoofdstuk gaan bekijken.

De grote minnetuin. Gravure van brabantse of westfaalse makelij, ca. 1435. staande links waarschijnlijk Jacoba van Beieren, aan wie Frank van Borssele, haar vierde echtgenoot, een beker reikt. Prentenkabinet Berlijn.
Uit: Gent M.J. van, "vijftien mannen achter Jacoba van Beieren", Holland 29 afl. 3 (Den Haag 1997) 138.
[1] Anoniem, ‘Jacoba van Beieren’, Schouten, M.C. en C. Kroon (red.), De batavier 11/12 (Hazerswoude 1966) 129.
[2] Jansen, H.P.H., Jacoba van Beieren (Den Haag 1976) 12.
[3] Ibidem, 15.
[4] Jansen, H.P.H., ‘Jacoba van Beieren. 1401-1436’, in: Tamse C.A. (red.), Vrouwen in het landsbestuur (Den Haag 1982) 26-27.
[5] Ibidem, 26.
[6] Ibidem, 27.
[7] Maclaine Pont, M.W., Op de grenzen der Middeleeuwen, Jacoba van Beyeren (Baarn 1930) 21.
[8] De Bourguignons worden in het Nederlands Bourgondiërs genoemd, zie bijvoorbeeld: Huig, M. en D.F. Scheurleer jr., De vijftiende eeuw (Utrecht 1995) 66-67.
[9] Jansen, ‘Jacoba van Beieren. 1401-1436’, 27-28.
[10] Maclaine Pont, Op de grenzen der Middeleeuwen, 29.
[11] Molhuysen, P.C., P.J. Blok en Fr.K.H. Kossmann, Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, zesde deel (Leiden 1924) 842.
[12] De honderdjarige oorlog tussen Frankrijk en Engeland was immers nog in volle gang, wat voordelig zou kunnen zijn voor Jacoba in haar conflict met de Bourgondiërs.
[13] Jansen, Jacoba van Beieren, 52-56.
[14] Aa, A.J. van der, Biographisch woordenboek der Nederlanden, vierde deel (Haarlem 1852) 17. Verder afgekort als BWN..
[15] Maclaine Pont, Op de grenzen der Middeleeuwen, 163.
[16] Aa, BWN, 17.
[17] Gent, M.J. van, ‘Vijftien mannen achter Jacoba van Beieren’, Holland vol. 29 afl. 3 (Den Haag 1997) 134.
[18] Aa, BWN, 17.
[19] Kobus, J.C. en W. de Rivecourt, Beknopt biographisch handwoordenboek van Nederland (Zutphen 1854) 12-13.